Dukkers, Ed [4 ]

Zandvoort, 1 mei 1923 - Amsterdam, 1996

Biografie: Ed Dukkers

Nederlands graficus, grafisch ontwerper, illustrator, schilder, tekenaar van figuurvoorstellingen, naaktfiguren, strandgezichten, interieurs, stillevens, scheepsafbeeldingen, religie en stadsgezichten.

Ed Dukkers werd geboren in Zandvoort, waar zijn ouders een hotel runden. Al snel was duidelijk dat ‘Eddy' tekentalent had. Zijn moeder legde tekenkrijtjes onder zijn hoofdkussen, zodat hij 's ochtends meteen kon gaan tekenen. Zijn jeugd in Zandvoort hebben Dukkers' werk blijvend bepaald. Lange tijd stond het kleurgebruik in zijn schilderijen onder invloed van hetgeen hij als kind heeft waargenomen: het subtiele scala aan zandkleuren van het strand en de duinen. Hij hield niet van groen, het ging hem om de grond, de aarde en niet om de begroeiing. Zijn palet bestond daarom decennialang uit okers, bruinen, grijzen, zwart en wit.

Dukkers volgde zijn opleiding aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam. Als schilder is hij autodidact. Hij schilderde, tekende en lithografeerde. Aanvankelijk werkte in Zandvoort, maar vanaf 1940 in Amsterdam.

Ed Dukkers pakt na de oorlog al snel de draad van het schilderen weer op, wat niet onopgemerkt blijft. In 1946 selecteert Willem Sandberg Ed Dukkers voor de tentoonstelling ‘Tien jonge schilders'. Aan deze tentoonstelling doen onder meer ook Appel, Corneille en Rooskens mee. Bij Dukkers zijn dan sterke expressionistische tendensen waar te nemen, zoals bij velen uit zijn tijd, maar hij blijkt zijn doelen al snel anders te stellen. Literaire, surrealistische thema's hebben zijn belangstelling, waarin dood, erotiek en rituelen dicht met elkaar verweven zijn.

Toch heeft Dukkers geen aansluiting gezocht bij de Cobra-groep, maar ging zijn eigen gang. Dit heeft geleid tot een uniek oeuvre waarin een ontwikkeling waar te nemen is naar steeds verdergaande abstrahering. De onderwerpen: landschappen, stillevens en naakten worden teruggebracht tot de essentie van vorm, kleur en compositie. Naast het landschap is het vrouwenlichaam altijd een grote bron van inspiratie voor Dukkers geweest. ‘Ik hou van papier, kleur en meiden, zon, schemer en wijn', merkt hij in het bijzijn van vrienden eens op. Wie zijn oeuvre overziet concludeert dat dit een treffende uitspraak is. Was sinds 1956 lid van De Keerkring en won in 1951 de Tetar van Elven-reisbeurs. Maakte vele buitenlandse reizen, in het bijzonder naar Griekenland.

Vanaf begin jaren vijftig reisde Dukkers elk najaar naar Griekenland. Daar maakte de schilder een grote hoeveelheid tekeningen en schetsen, waarin zijn fixatie op de Griekse rotsachtige bodem en de daarbij horende kleurenpracht sterk naar voren komt. Ook in dit werk is het kleurgebruik weer ‘aards' van karakter.

Dukkers tekent en schildert met een lichtvoetige lijnvoering thema's uit de Commedia dell' arte en het Mexico uit de prenten van Posada. In Zuid-Europa, waar hij rondreist na het winnen van de Tetar van Elvenprijs in 1951, treft hij hetzelfde, door sommigen als luchthartig en katholiek benoemde levensgevoel. Frappant is wel, dat deze beleving van de wereld moet stroken met hoe deze zich aan het oog voordoet. Mexico blijkt op reis zo anders dan in zijn voorstelling, dat het daarna niet meer als onderwerp in zijn werk terugkeert.

De lichtvoetigheid die zijn werk kenmerkte, komt gaandeweg op losse schroeven te staan, hoezeer velen het later ook in zijn groeiende hoeveelheid sensuele modeltekeningen hebben willen lezen. (Dukkers heeft dit cliché zelfs pesterig aangezet door een aantal bokkenkoppen te tekenen; spreekwoordelijk oud en geil). Eind jaren zestigbeginnen zijn abstracties strenger te worden, de stileringen en vervormingen zijn niet langer speels, maar systematisch. Lijn en vorm definiëren niet alleen het voorgestelde, maar in toenemende mate ook zichzelf. Zijn gemakkelijke tekenhand laat zich echter niet verloochenen, wat zijn hoge tekenproductie en de discrepantie die vanaf dat moment tussen zijn tekeningen en schilderijen is blijven bestaan, mogelijk verklaart. Het is nog maar de vraag of Ed zijn tekeningen zag als voorafgaand aan de schilderijen, en niet als een integraal onderdeel van zijn oeuvre.

De omslag in zijn denken wordt gemarkeerd door een drieluik uit 1969, zoals Saskia Monshouwer in de hoofdtekst van de monografie terecht opmerkt. Een groter middendeel wordt omlijst door een aantal kleinere doekjes, waarin sterk gestileerde paartjes in de daad verwikkeld zijn, de good old ‘beast with two backs'. Vrouwen, al dan niet in erotische poses, vormen vanaf dat moment het hoofdonderwerp van zijn werk, waardoor er meer ruimte komt voor het thema dat hem uiteindelijk het meest ter harte gaat: de schilderkunst zelf.

Wie het kunstenaarsschap van Ed Dukkers beziet, springt één ding duidelijk in het oog: het heeft zich nadrukkelijk afgespeeld temidden van collega-kunstenaars, die hij op zijn atelier, maar ook bij Arti ontmoette. Het is dan ook niet zozeer zijn bescheidenheid geweest, maar meer het handhaven van de beslotenheid waarin Dukkers als kunstenaar het best gedijde. Ondanks tentoonstellingen in het Haags Gemeentemuseum (1972) en Museum Fodor in Amsterdam (1987), was de waardering door vakgenoten hem uiteindelijk dierbaarder dan bewondering van een groot publiek.

In zijn gehele oeuvre staat de mens in algemene zin centraal. Vanaf 1985 vertoont zijn werk een steeds grotere vereenvoudiging en abstractie.

Dukkers komt uit bij een zuiver schilderkunstig oogmerk. Sterk gestileerde vormvlakken die naast elkaar en met eenzelfde factuur een aaneengesloten oppervlak maken, maar die louter door hun kleuren een subtiel gevoel van diepte veroorzaken. Het oog deelt zelfs de kleinste nuance en schakering in een onderliggende rangorde van kleuren in, geordend naar gelang de ervaring als verder weg of dichterbij.

In zijn laatste jaren zet Dukkers geen nieuwe werken meer op, er is geen nieuw onderwerp dat hij aan de orde wil stellen. Zoals hij eigenlijk gedurende zijn hele loopbaan heeft gedaan, schildert hij bestaand werk over. Hij wil nog alleen zijn oeuvre corrigeren, zet kleine kleurvlakken over bestaande vlakjes heen, soms zelfs een enkel laagje vernis, dat het betreffende vlakje van het gelijk gekleurde naastgelegen vlak onderscheidt. Hieraan ontlenen veel schilderijen hun intensiteit en doorwerkte karakter. Dukkers wilde de bokken van de schapen scheiden, zijn oeuvre afronden.

Men ziet onmiddellijk dat het werk van deze consciëntieuze kunstenaar het resultaat is van rijp kunstenaarschap. Dukkers stelde hoge eisen aan zijn werk en aan sommige doeken werkte hij jarenlang. Hij werkte niet voor het grote publiek maar voor mensen waarvan hij vond dat hun oordeel er toe deed. “Wat doe je Ed?”, vroeg men dan. “Ik ben Tiepolo aan het vertalen”. Met zo'n antwoord onderscheidde Dukkers zich van vele generatiegenoten die in een directere aanpak geloofden. Hij was voortdurend aan het gluren in de kunstgeschiedenis en als een soort vergaarbak (vroeger zei men “eclecticus”) koos hij de bouwstenen die hem toevallig het beste uitkwamen bij het stileren van zijn eigen universum. Of het nu ging om Morandi, Guston, Courbet of Comedia dell'Arte, het maakte Dukkers niet uit, want hij was slechts een kind van zijn tijd. “Een kind van zijn tijd”. Later beseft men pas, hoe doeltreffend deze simpele kwalificatie is.

In 1996 overleed de Amsterdamse kunstenaar Ed Dukkers aan een herseninfarct. Een kunstenaarsloopbaan van ruim een halve eeuw kwam abrupt ten einde. Zijn weduwe kreeg het beheer over de enorme collectie schilderijen en tekeningen die de uiterst productieve kunstenaar had vervaardigd.

Na zijn overlijden is de Stichting Ed Dukkers opgericht, die zich heeft ingespannen om een prachtige publicatie mogelijk te maken. Negen kunstenaars, onder wie Reinier Lucassen, Theo Daamen, Jan van der Pol en Liza May Post, lichten daarin hun visie op Dukkers' werk toe. Ook een kleine serie postume overzichtstentoonstellingen is het resultaat van de inspanning van deze Stichting; te zien in Museum Jan van der Togt te Amstelveen (2003) en het Museum Flehite in Amersfoort (2004).

Ed Dukkers is een schilder die moeilijk bij een bepaalde stroming in te delen is. Hij is een schilder die vaak de natuur als uitgangspunt nam, maar die haar vervolgens trachtte te abstraheren tot wat hij zag als de essentie. De helderheid van Dukkers' werken, zijn klare lijnen en harmonieuze, stevige composities, maken zijn oeuvre op het eerste gezicht overzichtelijk. Uit zijn vele tekeningen, direct al sterk gestileerd genoteerd, leidt hij motieven af die de hoofdrol spelen in zijn steeds meer geabstraheerde schilderijen. Nader beschouwd komen er een aantal contradicties aan het licht, die Dukkers geraffineerd heeft uitgespeeld, en waaraan zijn werk uiteindelijk zijn grootste rijkdom ontleent. Enerzijds anti-academisch ingesteld, anderzijds rekenschap gevend van wat de groten voor hem zijn oog hadden geleerd en een grote plaats ingeruimd voor modeltekeningen. Enerzijds ook in aantekeningen zijn drijfveren formulerend als het oplossen van een puur schilderkunstig probleem (m.n. dieptewerking suggereren met abstracte kleurvlakken alleen), anderzijds een plaats zoekend voor zijn meer literaire motieven: Commedia dell'arte, reizen, herders en, bovenal, de vrouw. Met slechts enkele lijnen kon hij soms de mooiste vrouwelijke details vastleggen: de lijn van een rug, een torso of de welving van een buik. Dukkers ontpopte zichzelf hiermee als een ware virtuoos, waarin het prachtige lijnenspel getuigde van een groot vakmanschap en liefde voor de schilderkunst.