Oldeboerrigter, Melle [3 ]

Amsterdam, 27 mei 1908 - Amsterdam, 24 mei 1976

Biografie: Melle Oldeboerrigter

Melle Oldeboerrigter was een Amsterdamse kunstenaar. Hij werd geboren als zoon van Johanna Geertruida de Vries (1870-1948) en Hendericus Oldeboerrigter (1865-1947) in de Amsterdamse wijk Wittenburg, grenzend aan het oostelijk havengebied. Hij had een hechte band met zijn moeder en zijn twee zusjes Liberta en Henriëtte. Zijn vader was zeeman en was dus weinig thuis, maar beide ouders stimuleerden hun kinderen om zich vooral verder te ontwikkelen.

Oldeboerrigter begon al jong met tekenen; de natuur was hierbij een geliefd onderwerp. Heel precies gaf hij onder meer kikkervisjes, fluitekruid of vogels weer. Maar hij kon ook opgaan in zijn fantasiewereld. In een interview met Ischa Meijer in 1972 zou hij verklaren dat zijn jeugd arm maar wel gezellig was. Hij omschreef zijn moeder als 'een wijze vrouw' bij wie hij troost vond na de vele 'visionaire' nachtmerries, die 'niet zoveel verschilden van de 'beeldengolven' die hem in zijn latere leven 'overspoelden' en die op expliciete wijze in zijn werk zouden terugkeren.

In 1922 werd de veertienjarige Melle Oldeboerrigter aangenomen op de grafische school in Amsterdam, waar hij onder meer leerde letterzetten. 's Nachts volgde hij lithografielessen. In deze tijd verschenen zijn eerste illustraties in het anarchistische blad De Moker; een opruiend blad voor jonge arbeiders.

Later ging hij bij De Arbeiderspers als letterzetter werken. In die tijd leerde hij Marth Bruijn (1910-2006) kennen, waarmee hij in 1934 ging samenwonen op de Amsteldijk 62. In de woning was ook plaats voor een atelier. Hier ontstond in 1938 zijn eerste bekende olieverfschilderij. Wanneer Melle precies ertoe overging om zijn werk louter met zijn voornaam te signeren is niet duidelijk, maar zijn oeuvre werd al snel zeer omvangrijk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog trok Melle in bij Puck van Hilst (1912-2002) – zijn latere echtgenote –, maar hij hield zijn atelier op de Amsteldijk aan, waar Marth Bruijn was blijven wonen - en overigens haar hele leven zou blijven wonen. Na de oorlog wijdde Melle zich nog uitsluitend aan zijn kunstenaarschap. Hij bleef op donderdagen werken op zijn atelier op de Amsteldijk. In de loop der jaren produceerde hij ruim 275 olieverfschilderijen, tenminste 200 aquarellen, duizenden tekeningen in verschillende technieken (litho's, etsen, Oost-Indische inkt, potlood, conté enzovoort) en een aantal borduursels en knipsels.

Melles eerste solotentoonstelling vond plaats in 1947 in Huize Sluiter te Groningen. In 1953 werd hij 'praktijkleraar' aan het Instituut voor Kunstnijverheid, de latere Rietveldacademie. Hij toonde zich bijzonder betrokken bij zijn leerlingen. Vaak nodigden Puck en Melle de studenten ook bij hen thuis uit. Zijn werk had in 1947 en 1953 deel uitgemaakt van groepstentoonstellingen in het Stedelijk Museum Amsterdam maar toen het in 1955 opnieuw van een groepstentoonstelling deel uitmaakte, weigerde de toenmalige directeur Willem Sandberg enkele werken omdat hij ze daarvoor 'ongeschikt' vond. Enkele jaren later maakte de seksuoloog C. van Emde Boas een geruchtmakende analyse van Melles werk. Hij meende dat de fallussen die Melle vaak afbeeldde, een verband hadden met zijn jeugd. Melle echter dichtte daaraan een andere betekenis toe. Hij wilde tonen dat de mens is gedreven door de voortplantingsdrift, omdat dit volgens hem de voornaamste reden was waarom de mens op aarde is. De natuur werd zodanig door deze mannelijke drift beheerst dat hij in zijn werk ook vrouwen, dieren, planten en zelfs gebouwen van een of meer fallussen voorzag, hetgeen hem er overigens bepaald niet van weerhield om ook vrouwen en hún geslachtsorganen meermaals te tonen.

Melle maakte nooit gebruik van voorstudies, maar schilderde alles uit zijn hoofd, zonder vooropgezette compositie. Daarom was het voor hem altijd onzeker welke uiteindelijke vorm zijn werk zou aannemen en vaak toonde hij zichzelf daar dan ook verrast over: 'Moet je mij nou eens zien!'. Hij verzette zich nadrukkelijk tegen zijn indeling door 'kunstkenners' bij de surrealisten en noemde zichzelf een ‘visionair schilder’. De enige schilder met wie hij zich desgevraagd verwant voelde was Jeroen Bosch.

Melles bekendheid nam met de jaren gestaag toe. Met zijn eerste schilderijen bekostigde hij de gasrekening of de huur, later werden de kopers op wachtlijsten gezet. Meestal konden zij zelf niet hun voorkeur aangeven, en kregen eenvoudig het stuk aangeboden dat Melle hen toewees. Maar niet iedereen kon iets bij hem kopen. Toen de internationaal vermaarde kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim bij hem aanbelde, deed Melle de deur open: 'De schilder is niet thuis.'

In 1968 werd Melle benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, een koninklijke onderscheiding waarop hij bijzonder trots was. In datzelfde jaar werd hij uitgebreid gefêteeerd ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag in de 'Koningszaal' van Artis, de Amsterdamse dierentuin. Bij die gelegenheid verscheen tevens en in nauw overleg met Melle zelf, op initiatief van de uitgever Geert van Oorschot de "Melle-map": twaalf reproducties van zijn werk op ware grootte en twee originele litho's.

Pas in 1972 gunde het Stedelijk Museum Amsterdam Melle zijn eerste overzichtstentoonstelling. In 1973 ging Melle met pensioen. Drie jaar later stierf hij ten gevolge van een hartaanval. (bronvermelding: tekst J. Levey-van Halm).

Kunststromingen: Surrealisme